Waarom wil de bloeddruk niet naar beneden?

2003 ◽  
Vol 41 (3) ◽  
pp. 97-97
Author(s):  
   
Keyword(s):  
KWALON ◽  
2013 ◽  
Vol 18 (1) ◽  
Author(s):  
Merlijn van Hulst ◽  
Sabine van Zuydam

In de reacties van Boeije en Tijmstra en Groenland is het mogelijk om minstens drie discussiepunten te ontwaren, waar wij in deze repliek graag op ingaan: het onderscheid tussen onderwerpkeuze en casusselectie, de basis waarop onderzoekers keuzes maken om tot een empirisch geval te komen, en het verschil tussen ‘zuiver’ wetenschappelijk onderzoek en gebonden opdrachtonderzoek.Boeije en Tijmstra stellen ten eerste dat in het door ons geformuleerde redeneerschema de onderzoeksstappen van de onderwerpkeuze en de casusselectie door elkaar worden gehaald: het eigenlijke onderwerp staat halverwege het schema (stap 8), waarna de volgende stappen betrekking hebben op het vinden van een casus. Wij willen ons in reactie afvragen wat in kwalitatief onderzoek het onderwerp precies is en wanneer het onderzoek daadwerkelijk start. Hoewel een onderzoeker zeker niet boven in het schema moet blijven hangen, is het niet het geval dat alle kwalitatieve onderzoekers aan een onderzoek beginnen met een scherp toegesneden onderwerp. Niet voor niets gebruiken kwalitatieve onderzoekers vaak een flexibel design (Robson, 2002). Kwalitatief onderzoek is een iteratief proces. Onderzoekers moeten zich kunnen laten verrassen door wat ze tegenkomen in het veld en zo het onderzoek verder ontwikkelen. Daarbij zullen ze regelmatig teruggaan naar de literatuur om zich verder te verdiepen in wat ze ontdekken. Dit betekent dus dat het onderscheid tussen onderwerp en geval niet zo scherp te trekken is en dat zij in het daadwerkelijke onderzoeksproces nauw met elkaar verbonden zijn.Het tweede punt dat Boeije en Tijmstra maken, is dat het niet duidelijk is welke stappen onderzoekers (moeten) zetten om van het onderwerp naar een geval te komen. Met andere woorden: we gaan in het voorbeeld niet in op de inhoudelijke gronden van de afbakeningskeuzes. Hier hebben de auteurs zeker gelijk. Ons antwoord op dit punt relateert aan het doel van het schema. Het doel van het schema is niet om het impliciete denken van onderzoekers te beschrijven en het is ook niet een vooraf vastgelegd stappenplan waarlangs je je onderzoek uitvoert. Het is juist bedoeld om het redeneren te ondersteunen en te stimuleren. Het helpt onderzoekers te overdenken waar ze mee bezig zijn als ze onderzoek doen en hoe een onderzoeksthema zich verhoudt tot een concreet empirisch geval. Het schema laat zien dat de relatie tussen thema en geval het maken van keuzes impliceert, ongeacht het punt waarop een onderzoeker het schema binnenstapt. Ook al zou een onderzoeker direct beginnen met het idee om onderzoek te doen naar de rol van bestuurders in recente crises in Rotterdam, betekent dit niet dat die onderzoeker zich van het bestaan van een meer generiek algemeen thema en de theorie daarover niets hoeft aan te trekken. Zoals we in het artikel al stelden, kunnen keuzes binnen het schema op meerdere gronden worden gemaakt: op basis van literatuur, praktische overwegingen, enzovoort. Welke van deze keuzegronden daadwerkelijk worden gebruikt, hangt echter af van de omstandigheden.Bovenstaande brengt ons bij het punt van Groenland: het schema lijkt in zijn ogen vooral bedoeld te zijn voor onderzoekers die alle vrijheid hebben om keuzes te maken in het onderwerp en de cases die hen interesseren. Volgens ons zijn de gevolgen van het onderscheid tussen ‘zuiver’ wetenschappelijk onderzoek en opdrachtonderzoek, als het aankomt op het nut van ons schema, beperkt. Inderdaad, de vraagstellingen en de tijdslijnen voor het onderzoek zullen min of meer vastliggen en kunnen niet naar eigen inzicht worden gewijzigd. Maar om de vraag te kunnen beantwoorden komt er zeker ook, zoals Groenland zelf al aangeeft, theorie bij kijken. Kennis van de literatuur (de bovenkant van het schema) is nodig voor goed onderzoek. Wij zouden persoonlijk niet willen dat iemand onze bedrijfscultuur onderzocht die nog nooit van Schein (1992) heeft gehoord, om maar iemand te noemen die het concept organisatiecultuur theoretisch (en empirisch) heeft verkend. En wie de literatuur bestudeert, weet dat daar allerlei discussies in te vinden zijn. De theorie is in die zin niet direct beschikbaar als ‘geaccumuleerde kennis’ die van de plank gehaald kan worden, maar moet nog worden ‘klaargemaakt’ om toegepast te kunnen worden op een organisatie. Van belang is in dit geval dat ondanks dat het aandragen van oplossingen voor een praktisch probleem het doel is, de onderzoeker wel in staat moet zijn om verder boven in het redeneerschema te beginnen met denken. In het geval er vooral aandacht moet zijn voor het empirisch fenomeen en snel een opdracht moet worden afgerond, bestaat nog steeds te mogelijkheid om er later over na te denken in meer theoretische termen. Menig promovendus werkzaam bij een advies- of onderzoeksbureau werkt met data die zijn verzameld voor een opdracht. Het onderscheid tussen de promovendus en de businessonderzoeker vervaagt op dat moment. Niettemin is het inderdaad zo dat wij bij het maken van het redeneerschema het meer klassieke type onderzoek voor ogen hadden, waarbij de onderzoeker in grote mate zelf kan bepalen wat precies onderzocht wordt en waarom. En dan komen we weer terug bij het doel van het schema: onderzoekers kunnen het redeneerschema lezen van boven naar beneden en van beneden naar boven om hun denken te verbreden en te scherpen, en om hun bevindingen te kunnen begrijpen, verklaren en plaatsen in het bredere geheel.


2019 ◽  
Vol 35 (3) ◽  
Author(s):  
Marc van der Meer ◽  
Kees Vos
Keyword(s):  

Op weg naar een stelsel van arbeidsverhoudingen zonder collectieve arbeidsverhoudingen? Met hooguit 60% van de beroepsbevolking met een vast contract (en een mogelijk verdere daling in het vooruitzicht) begint het er danig op te lijken. Volgens de tussentijdse rapportage van de adviescommissie-Borstlap is de concentratie van flexwerk onder laagopgeleiden de 'sociale kwestie' van deze tijd (zie: Pelgrim, 2019). Wat betekent de groeiende maatschappelijke tweedeling voor de consensus en compromisbereidheid van ons poldermodel? In november 2016 stuurden de gezamenlijke vakbonden een brandbrief over de 'race naar beneden' die volgens hen gaande is op de arbeidsmarkt en de samenleving kapot maakt. In dit licht baart het opzien dat werkgevers en werknemers elkaar in het late voorjaar van 2019 na jarenlange onderhandelingen hebben gevonden in drie vergaande afspraken: over Europa, over de pensioenen en ook over het klimaat. Zijn we bezig met een revitaliseringsslag? Of is het een laatste stuiptrekking voordat onze nationale trots een plek krijgt op de werelderfgoedlijst van de UNESCO? Dergelijke vragen dateren niet van vandaag of gisteren. De afgelopen halve eeuw laat namelijk een bonte verzameling zien van uiteenlopende verwachtingen, van speculaties over trends, keertijden of breukvlakken in de betrekkingen tussen de sociale partners, met overgangen van harmonie- of coalitie- naar conflictmodellen, van transactie- naar poldermodel en weer terug. Men kan zich daarom de vraag stellen of de nadruk op de resultaten van samenwerking en overleg voldoende zicht laat op de feitelijke stand van zaken in de polder. Zijn de (soms na moeizaam overleg tot stand gekomen) akkoorden voldoende basis voor een duurzaam sociaal partnerschap? Welke essentialia houden het stelsel bijeen?


KWALON ◽  
2009 ◽  
Vol 14 (1) ◽  
Author(s):  
AnneLoes van Staa

Snakes & Ladders is een van oorsprong Indiaas bordspel dat sinds de Victoriaanse tijd in de Engelstalige wereld wijdverspreid is en enigszins vergelijkbaar is met het Hollandse ganzenbord. Met de worp van een dobbelsteen doorloop je het speelvak van honderd hokjes omhoog waarbij ladders je vooruithelpen en slangen je naar beneden laten tuimelen. De ladders symboliseren deugd en de slangen staan voor het kwaad, waarbij de oorspronkelijke boodschap van het spel duidelijk wordt: goede daden brengen mensen tot verlossing. Als metafoor lijkt Snakes & Ladders mij geschikt voor deze bijdrage, omdat in participatief onderzoek vaak gebruik wordt gemaakt van de 'participatieladder'. Hoe meer participatie, hoe beter, is de boodschap. Maar is actieve participatie van de onderzochten in onderzoek per definitie beter dan non-participatief onderzoek? Wordt onderzoek er beter van en geldt dit ook voor de participanten? Zijn er behalve voordelen ook nadelen aan participatie voor onderzoekers en onderzochten? In deze bijdrage beschrijf ik onze ervaringen met participatie van jongeren als medeonderzoekers in het project 'Op Eigen Benen'. Participatief onderzoek levert spannende momenten op, maar er zitten ook adders onder het gras.


2017 ◽  
Vol 33 (3) ◽  
Author(s):  
Fabian Dekker

De zzp'er is helemaal 'in'. Althans, dat was zij/hij. Aan het begin van deze eeuw legde de overheid nog alle nadruk op de voordelen van het zzp-schap voor een goed functioneren van onze economie. Onder andere ondersteund door een legio aan fiscale voordelen, zoals het beginnen met behoud van WW-uitkering en diverse aftrekmogelijkheden, kozen veel mensen vervolgens voor een bestaan als zelfstandige zonder personeel. Het Centraal Bureau voor de Statistiek telt er inmiddels al meer dan een miljoen, tegen 330.000 zzp'ers in 1996 (CBS 2014). Maar momenteel lijkt de zzp-groei wat te stagneren en zijn de positieve verwachtingen van veel beleidsmakers naar beneden bijgesteld. Dat is jammer, want hiermee dreigt de zzp'er met het badwater te worden weggegooid.


Sign in / Sign up

Export Citation Format

Share Document