centraal bureau
Recently Published Documents


TOTAL DOCUMENTS

24
(FIVE YEARS 0)

H-INDEX

1
(FIVE YEARS 0)

2019 ◽  
Vol 35 (3) ◽  
Author(s):  
Katja Chkalova ◽  
Jeanine van Wissen-Floris

In 2016 bedroeg het beloningsverschil tussen mannen en vrouwen in het Nederlandse bedrijfsleven 19%. Als er gecorrigeerd wordt voor achtergrondkenmerken als leeftijd, herkomst, huishoudpositie, opleidingsniveau, arbeidsduur en beroepsniveau, verdienden vrouwen in het bedrijfsleven 7% minder dan mannen. Dit blijkt uit het onderzoek naar loonverschillen tussen mannen en vrouwen dat het Centraal Bureau voor de Statistiek elke twee jaar publiceert. Het gecorrigeerde percentage beloningsverschil varieert per bedrijfstak. De financiële dienstverlening (13%) en de bouwnijverheid (10%) kennen de hoogste gecorrigeerde percentages beloningsverschil, terwijl de kleinste beloningsverschillen gemeten zijn in het openbaar bestuur (1%) en de horeca (2%).


2017 ◽  
Vol 33 (3) ◽  
Author(s):  
Fabian Dekker

De zzp'er is helemaal 'in'. Althans, dat was zij/hij. Aan het begin van deze eeuw legde de overheid nog alle nadruk op de voordelen van het zzp-schap voor een goed functioneren van onze economie. Onder andere ondersteund door een legio aan fiscale voordelen, zoals het beginnen met behoud van WW-uitkering en diverse aftrekmogelijkheden, kozen veel mensen vervolgens voor een bestaan als zelfstandige zonder personeel. Het Centraal Bureau voor de Statistiek telt er inmiddels al meer dan een miljoen, tegen 330.000 zzp'ers in 1996 (CBS 2014). Maar momenteel lijkt de zzp-groei wat te stagneren en zijn de positieve verwachtingen van veel beleidsmakers naar beneden bijgesteld. Dat is jammer, want hiermee dreigt de zzp'er met het badwater te worden weggegooid.


2016 ◽  
Vol 32 (4) ◽  
Author(s):  
Harry Bierings

De bekendste en meest geciteerde maat voor het onbenut arbeidsaanbod op de arbeidsmarkt is het werkloosheidspercentage. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) brengt echter ook andere indicatoren van het onbenut arbeidsaanbod in kaart en geeft daarmee een vollediger beeld. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om groepen die in vergelijking met werklozen niet beschikbaar zijn voor werk of niet naar werk zoeken. In deze bijdrage worden deze aanvullende indicatoren voor het onbenut arbeidsaanbod in Nederland gepresenteerd als een percentage van het totale arbeidsaanbod en worden deze indicatoren internationaal vergeleken.


2015 ◽  
Vol 31 (3) ◽  
Author(s):  
Koos Arts ◽  
Ferdy Otten

De vergrijzing en toenemende levensverwachting leiden enerzijds tot een krimpende beroepsbevolking en anderzijds tot een groter inactief deel van de bevolking dat steeds langer een beroep zal doen op de sociale zekerheid en pensioenvoorzieningen. Om de oplopende druk op de sociale zekerheid te verminderen zijn in de loop der jaren tal van maatregelen genomen om de arbeidsparticipatie van ouderen te verhogen en de vervroegde uitstroom uit arbeid te verminderen. Onder meer is in 2006 de fiscale bijdrage aan VUT en prepensioenregelingen afgeschaft en is de fiscale arbeidskorting van werkende ouderen verhoogd om mensen te stimuleren langer aan het werk te blijven. Meer recentelijk heeft het kabinet-Rutte II voorzien in een stapsgewijze stijging van de AOW-leeftijd vanaf 2013. Inmiddels zijn de Tweede en Eerste Kamer akkoord gegaan met een wetsvoorstel om de leeftijden vanaf 2016 sneller te verhogen naar 66 jaar in 2018 en 67 jaar in 2021 en verdere verhogingen vanaf dan aan de levensverwachting van de bevolking te koppelen.Voor het arbeidsmarktbeleid is het van belang zicht te hebben op de ontwikkelingen in de arbeidsmarktdeelname van ouderen. In deze bijdrage wordt op basis van analyses op integrale gegevens van het Sociaal Statistisch Bestand van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) ingegaan op de ontwikkelingen in aantallen werkende ouderen en de leeftijd waarop ze met pensioen gaan. Ook eventuele verschillen tussen mannen en vrouwen worden daarbij onder de aandacht gebracht. Zelfstandigen zijn buiten beschouwing gelaten. Anders dan werknemers vallen zelfstandigen niet onder de verplichte inkomensverzekeringen. Indien ze niet geïnvesteerd hebben in private pensioenverzekeringen of te zijner tijd kunnen terugvallen op opgebouwd ondernemingsvermogen, werken zij veelal langer door dan de AOW-gerechtigde leeftijd. De ontwikkeling van de pensioenleeftijd is bij hen dan ook een ander verhaal dan bij werknemers. Bovendien zijn de beschikbare gegevens voor deze groep minder recent. Werknemers die met pensioen gaan, zijn in deze bijdrage afgebakend als personen die in het desbetreffende jaar pensioen en een jaar eerder arbeid als voornaamste inkomensbron hadden. Daarbij is steeds uitgegaan van de voornaamste inkomensbron van de maand september van een jaar. Bij pensioen gaat het om uitkeringen in het kader van de Algemene Ouderdomswet (AOW) en de Algemene nabestaandenwet (Anw), oorlogs- en verzetspensioenen en overige (aanvullende) pensioenen en lijfrenten.


2012 ◽  
Vol 28 (3) ◽  
Author(s):  
Han van den Berg

In 2011 waren 1,4 miljoen personen werkzaam in de zorgsector. In vergelijking met 1970 is de werkgelegenheid in de zorg met 1 miljoen personen toegenomen. Eén op de zes werkzame personen in Nederland heeft nu een baan in de zorg. Bijna 90% van de totale werkgelegenheidsgroei in de laatste tien jaar is toe te schrijven aan de zorg. Hierdoor is de zorg qua aantal werknemers vorig jaar de grootste bedrijfstak in Nederland geworden.Deze uitkomsten zijn afkomstig uit de Arbeidsrekeningen van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Dit is een van de werkgelegenheidsstatistieken die het CBS publiceert. In dit artikel wordt een overzicht gegeven van de werkgelegenheidsstatistieken van het CBS. Naast de Arbeidsrekeningen besteden we aandacht aan de Enquête Beroepsbevolking, de Statistiek Werkgelegenheid en Lonen, het Sociaal Statistisch Bestand en de Vacature-enquête. Statistieken die alleen gegevens over een deel van de zorg publiceren, zoals de Statistiek Zorginstellingen, zijn buiten beschouwing gelaten. Bij alle statistieken gaat het alleen om betaald werk; vrijwilligerswerk en mantelzorg blijven buiten beschouwing. De zorgsector betreft in dit artikel de bedrijfstak gezondheids- en welzijnszorg.Het CBS beschikt over veel cijfers, die niet altijd zomaar met elkaar vergeleken kunnen worden, omdat ze afkomstig zijn uit verschillende bronnen. Bij de verschillende werkgelegenheidscijfers zijn daarbij de volgende vragen van belang:


Plant Disease ◽  
2004 ◽  
Vol 88 (2) ◽  
pp. 222-222 ◽  
Author(s):  
A. Y. Rossman ◽  
L. A. Castlebury ◽  
M. L. Putnam

Anthracnose on ash trees has been observed on landscape trees in western Oregon, yet there has been no formal report of the disease or its causal fungus. Anthracnose symptoms are observed annually in May and become severe by July when defoliation starts to occur. From 1989 to now, samples have been received from Benton, Josephine, and Marion counties, suggesting that ash anthracnose has been present throughout western Oregon for some time. To identify the causal agent, a fungus was isolated from acervuli on necrotic lesions on leaves of cultivated white ash (Fraxinus americana L.) trees in Benton County in July 2003. The acervuli produced hyaline, nonseptate, ellipsoid conidia 5 to 11 × 3.5 to 6 µm in diameter. The fungus was identified as Discula fraxinea (Peck) Redlin & Stack (teleomorph Gnomoniella fraxini Redlin & Stack) (2). The sequences of the internal transcribed spacer (ITS) region (GenBank Accession No. AY455814) and large subunit (GenBank Accession No. AY455818) nrDNA agreed with those of D. fraxinea from Maryland, except for three single-base substitutions and three insertions/deletions in ITS1. Ash anthracnose has been reported from the central and eastern United States and California, the prairie provinces in Canada, and recently, from British Columbia (1). A specimen (U.S. National Fungus Collections BPI 843391) and culture (Centraal Bureau voor Schimmelcultures CBS 114053) of D. fraxinea from Oregon were deposited. References: (1) D. F. Farr et al. Fungal Databases. Systematic Botany and Mycology Laboratory. On-line publication. ARS USDA, 2003. (2) S. C. Redlin and R. W. Stack. Mycotaxon 32:175, 1988.


Sign in / Sign up

Export Citation Format

Share Document