verschillende soorten
Recently Published Documents


TOTAL DOCUMENTS

23
(FIVE YEARS 2)

H-INDEX

1
(FIVE YEARS 0)

FILOGI ◽  
2021 ◽  
Vol 2 (1) ◽  
Author(s):  
Orsolya Varga

In alle talen is de meerderheid van de woordenschat polyseem, dat wil zeggen, de meeste woorden hebben meerdere betekenissen. Zowel polysemie als homonymie kunnen tot ambiguïteit leiden. We maken uit de context op om welke betekenis het gaat. Er zijn echter gevallen waarbij het uit de context toch niet duidelijk is welke betekenis wordt bedoeld: bijvoorbeeld in poëzie, woordspelletjes of moppen. Aangezien er geen twee talen zijn waarin de woorden precies dezelfde betekenisvelden bezitten, vormt het een basisprobleem bij het vertalen. Hoe gaan vertalers om met de meerduidigheid van woorden en uitdrukkingen in de brontaaltekst? Hoe kunnen we de verschillende soorten ambiguïteiten categoriseren? Op basis van een aantal case-studies en mijn eigen ervaringen als literair vertaalster streef ik ernaar om dit probleem in kaart te brengen en op deze vragen een antwoord te geven.


2021 ◽  
Vol 59 (3) ◽  
pp. 171-185
Author(s):  
Marijke Meijer Drees

Abstract In this article, I analyze Ik, Vondel (2017) by Hans Croiset. How does the reader of this book become convinced that he/she is reading a fictional autobiography of Vondel? I focused on two aspects that encourage such an autobiographical reading: the narrative strategy and the interplay of referential and fictional elements. The one factor that can captivate readers is the complex way in which the very elderly Vondel tells his story as an autobiographical self. He also reflects on his autobiographical writing and on the material forms his autobiography takes. The subservient role of his niece Agnes becomes more important to his autobiography, as his old age increasingly imposes restrictions on him. She appears to be hidden behind both the organizing narrative authority and the guiding narrator who present themselves from the very first chapter. The reader receives referential signals mainly through the annotations and the source list at the back of the book. Within the narrative there are referential signals in terms of the historical-realist details, personal names, locations, and events that create an effect of verisimilitude. Fictionalizing effects include the different types of conversations that I-Vondel stages, as well as the association of his emotion-driven memories with imagined elements. Nederlandstalig abstract In dit artikel analyseer ik het boek Ik, Vondel (2017) van Hans Croiset. Hoe raakt de lezer ervan overtuigd dat hij/zij een fictieve autobiografie van Vondel in handen heeft? Ik heb gekeken naar twee invalshoeken die tot zo’n autobiografische lectuur aanzetten: de vertelstrategie en het samenspel van referentiële en fictionele elementen. Dé factor die lezers kan verleiden, is de complexe manier waarop de hoogbejaarde Vondel zijn verhaal als autobiografisch-ik vertelt. Ook reflecteert hij op zijn autobiografisch schrijven en op de materiële vormen die zijn autobiografie aanneemt. De dienstbare en geloofwaardige rol van zijn nicht Agnes wordt naarmate zijn ouderdom hem steeds meer beperkingen oplegt, belangrijker voor zijn autobiografie. Zij blijkt schuil te gaan achter zowel de organiserende vertelinstantie als de gids-verteller die zich in Ik, Vondel vanaf het eerste hoofdstuk aandienen. Referentiële signalen krijgt de lezer met name via de annotaties en de bronnenlijst achterin het boek. Binnen het verhaal zijn het de historisch-realistische details, persoonsnamen, locaties en gebeurtenissen die een echtheidseffect tot stand brengen. Fictionaliserend werken onder meer de verschillende soorten gesprekken die ik-Vondel ensceneert, evenals de associatie van de door emotie aangedreven herinneringen met verbeeldingselementen.


2019 ◽  
Vol 32 (3) ◽  
Author(s):  
Yolandi-Eloise Janse van Rensburg ◽  
François S. De Kock ◽  
Eva Derous

Impliciete tests winnen aan populariteit binnen de arbeids- en organisatiepsychologie. Ondanks deze groeiende populariteit is nog relatief weinig bekend over de verschillende soorten impliciete tests, de constructen die ermee gemeten worden en de mate waarin ze relevant gedrag in organisaties voorspellen. In dit artikel bespreken we eerst wat impliciete processen zijn op basis van de duale procestheorie. Vervolgens bespreken we de drie meest populaire impliciete tests, namelijk de Implicit Association Test (impliciete associatietest), Picture Story Exercise (plaatjes-verhaaltest) en Conditional Reasoning Test (conditionele redeneertest). Voor elke test beschrijven we de opzet, psychometrische eigenschappen (de betrouwbaarheid, construct- en criteriumgerelateerde validiteit), waargenomen (procedurele) rechtvaardigheid, praktische bruikbaarheid en de mate waarin deze impliciete tests gevoelig zijn voor 'test faking'. Op basis van de best beschikbare empirische evidentie stellen we voor hoe impliciete tests ingezet kunnen worden in organisaties. We bespreken ook welk toekomstig onderzoek hiervoor nodig is. Op deze manier hopen we een waardevolle bijdrage te bieden aan dit groeiende onderzoeksdomein binnen de arbeids- en organisatiepsychologie.


2019 ◽  
Vol 35 (2) ◽  
Author(s):  
Wendy Smits ◽  
Jannes de Vries

In deze bijdrage vergelijken we de employability van vaste en flexibele werknemers, en van de verschillende soorten flexibele werknemers onderling. We beschouwen twee indicatoren voor employability: (1) een subjectieve inschatting van de eigen kans om een nieuwe baan in het huidige of in een ander bedrijf te krijgen, en (2) een typologie van de feitelijke arbeidsmarktransities die werknemers gedurende een periode van drie jaar hebben doorgemaakt, geconstrueerd met behulp van sequentieanalyse. Voor het onderzoek maken we gebruik van de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA) 2011, verrijkt met registerinformatie uit het Stelsel van Sociaal Statistische Bestanden (SSB) over banen en inkomens voor de periode oktober 2011 tot en met december 2014. Het blijkt dat de meeste soorten flexwerkers een lagere employability hebben dan vaste werknemers, maar er zijn wel enkele duidelijke uitzonderingen. Werknemers met een tijdelijk dienstverband met uitzicht op een vast dienstverband schatten hun employability hoger in dan vaste werknemers, maar deze hogere inschatting hangt samen met de gunstigere achtergrondkenmerken (jonger en hoger opgeleid) van de eerstgenoemde groep. De verschillen in gepercipieerde employability weerspiegelen zich in de beroepsloopbanen. Werknemers met uitzicht op een vast dienstverband hebben stabielere loopbanen dan andere flexibele werknemers. Uitzendkrachten hebben de minst stabiele loopbanen, met zowel veel baanwisselingen als periodes zonder werk. Oproepkrachten maken eveneens veel baanwisselingen door, maar stromen minder vaak uit naar werkloosheid dan uitzendkrachten.


2019 ◽  
Vol 35 (2) ◽  
Author(s):  
Eva Derous

Studies die etnische discriminatie in cv-screening onderzoeken, zijn talrijk en bestuderen vaak één persoonskenmerk (bijvoorbeeld etnisch klinkende naam), al dan niet in combinatie met een baankenmerk (bijvoorbeeld mate van klantencontact). Maar de werkelijkheid is complexer: een cv bevat verschillende persoonskenmerken die elk in meerdere of mindere mate associaties met etnisch groepslidmaatschap kunnen oproepen en zo discriminatie uitlokken. Bovendien kunnen deze effecten versterkt worden door bepaalde baankenmerken. Voortbouwend op attributie- en cognitieve matchingstheorieën, onderzochten we in deze studie de gecombineerde effecten van twee persoonskenmerken (etnisch klinkende naam, huidskleur) en twee baankenmerken (klantencontact, status) op etnische discriminatie bij cv-screening. Vlaamse HR-professionals (n =  424) namen deel aan een experimentele studie. Ze beoordeelden de baangeschiktheid van vier even gekwalificeerde mannelijke kandidaten met een Vlaamse of Marokkaans klinkende naam die een lichte of donkere huidskleur hadden en die solliciteerden voor een baan met veel (baliemedewerker) of weinig extern klantencontact (administratief bediende) in een sector met een relatief hoge (bank) of lagere, gepercipieerde sociale status (doe-het-zelf verkoopzaak). De resultaten bevestigen de zogenoemde 'fenotypische superioriteitshypothese': er was een sterker negatief effect van huidskleur dan van etnisch klinkende naam op baangeschiktheidsoordelen. In het bijzonder leidde een donkere huidskleur tot lagere baangeschiktheidsoordelen dan een lichtere huidskleur wanneer de kandidaat solliciteerde voor de baan van baliemedewerker in de doe-het-zelfzaak (lagere status context en veel extern klantencontact) en voor de functie van administratief bediende in de financiële bank (hogere status context en weinig extern klantencontact). Zowel in een context van lagere als hogere status kan een donkere huidskleur stereotiepe denkbeelden over etnische-minderheidskandidaten oproepen, maar om andere redenen leiden tot lagere baangeschiktheidsoordelen. In een context van lagere status kan een donkere huidskleur het stereotiepe denkbeeld van 'lageropgeleide' etnische minderheden oproepen. Dit kan resulteren in lagere baangeschiktheidsscores wanneer deze kandidaten solliciteren voor een functie met veel extern klantencontact omwille van geanticipeerde 'klantendiscriminatie'. In een context van hogere status wordt het stereotiepe denkbeeld van lageropgeleide etnische minderheden doorbroken, maar kan dit hogeropgeleide profiel dan weer als een bedreiging van de interne 'status quo' van de organisatie ervaren worden. Conclusie: etnische discriminatie bij cv-screening is complex, want afhankelijk van het samenspel van verschillende (soorten) persoons- en baankenmerken.


2019 ◽  
Vol 17 (2) ◽  
pp. 16-17
Author(s):  
Jurgen Schelhaas ◽  
Jos Hendriksen

Op 9 januari 2019 promoveerde Jans van Ool aan de Universiteit Maastricht op haar proefschrift ‘Diagnostic and neuropsychiatric considerations in epilepsy and intellectual disability’. In het proefschrift staat beschreven welke kenmerken binnen de epilepsie en verstandelijke beperking samenhangen met verschillende soorten neuropsychiatrische problematiek en worden de diagnostische implicaties hiervan besproken.


2017 ◽  
Vol 39 (1) ◽  
pp. 1-21 ◽  
Author(s):  
Marjolein Zee ◽  
Peter F. de Jong ◽  
Helma M. Y. Koomen

Sign in / Sign up

Export Citation Format

Share Document